Westnijlvirus bloedtest – WNV IgM en IgG antistoffen
Wat is het westnijlvirus?
Het westnijlvirus, vaak afgekort als WNV, wordt voornamelijk verspreid door muggen. Vogels vormen een belangrijk reservoir voor het virus. Een mug kan het virus bij een besmette vogel oppikken en vervolgens via een beet overdragen op een mens.
De gewone huissteekmug (Culex pipiens), die ook in Nederland veel voorkomt, kan het virus overbrengen.
De meeste mensen merken overigens niets van een besmetting. Volgens het RIVM krijgt ongeveer 80% helemaal geen klachten.
Ongeveer 19% krijgt griepachtige verschijnselen, bijvoorbeeld:
• koorts;
• hoofdpijn;
• spierpijn;
• buikpijn;
• diarree;
• soms huiduitslag;
• soms vergrote lymfeklieren.
Ongeveer 1% ontwikkelt een ernstige vorm waarbij bijvoorbeeld een hersenontsteking of hersenvliesontsteking kan ontstaan.
Dit is de serologische test. Hierbij wordt niet gezocht naar het virus zelf, maar naar de antistoffen die het afweersysteem tegen het westnijlvirus heeft gemaakt.
Daarbij zijn vooral IgM en IgG belangrijk.
IgM ontstaat als eerste. Volgens CDC is WNV-IgM doorgaans vanaf ongeveer 3–8 dagen na het begin van de klachten aantoonbaar. Daarom geldt: wanneer iemand bijvoorbeeld pas twee dagen koorts, hoofdpijn en spierpijn heeft, kan de antistoffentest nog negatief zijn terwijl er wél sprake is van WNV. Vanaf ongeveer dag 8 wordt serologie de belangrijkste test.
IgG verschijnt iets later en kan vervolgens jarenlang aanwezig blijven. Alleen een positieve IgG betekent daarom vooral: je bent ooit met het virus in aanraking geweest. Het bewijst op zichzelf geen actuele infectie.
Een praktische interpretatie is bijvoorbeeld:
IgM negatief + IgG negatief: geen aanwijzing voor doorgemaakte infectie, óf er is te vroeg getest.
IgM positief + IgG negatief/positief: past bij een recente infectie, maar kan aanvullende bevestiging vereisen.
IgM negatief + IgG positief: past eerder bij een infectie in het verleden.
Daarbij is één belangrijke kanttekening nodig. Westnijlvirus behoort tot de flavivirussen. Antistoffen kunnen kruisreageren met onder andere dengue, Usutu, tekenencefalitis (TBE/FSME), gele koorts en Japanse encefalitis. Ook vaccinaties tegen sommige flavivirussen kunnen de interpretatie beïnvloeden. Bij een positieve of twijfelachtige uitslag kan daarom bevestiging met een neutralisatietest (PRNT/VNT) nodig zijn.
| Moment vanaf begin klachten | Meest zinvolle test | Waarom |
|---|
| Dag 0–3 | PCR | Virus-RNA kan aanwezig zijn; antistoffen zijn vaak nog niet gevormd |
| Dag 3–7 | PCR + eventueel IgM/IgG | Overgangsfase; een negatieve antistoffentest kan nog te vroeg zijn |
| Vanaf ± dag 8 | IgM/IgG-serologie | IgM is bij de meeste patiënten inmiddels aantoonbaar |
| Weken/maanden later | IgM/IgG | PCR is dan meestal minder geschikt; IgG kan eerdere blootstelling aantonen |
| Ernstige neurologische klachten | Via arts/ziekenhuis, serum + eventueel liquor | Vanwege verdenking neuro-invasieve WNV-infectie |
bij immuungecompromitteerde patiënten kan de antistofrespons vertraagd of afwezig zijn. CDC noemt RT-PCR juist bij deze groep expliciet als onderzoek dat overwogen moet worden.
EG110926





